75 werkgerelateerde competenties op een rij

Houd je je bezig met competentieontwikkeling van je medewerkers? Of wil je graag je eigen competenties ontwikkelen? Dan is het handig om te weten welke competenties er allemaal zijn. In dit artikel vind je daarom een overzicht van vrijwel alle belangrijke werkgerelateerde competenties.

 

Over competenties

Voordat we naar de voorbeelden gaan, is het eerst belangrijk om uit te leggen wat een competentie nu precies is. Daar ontstaat namelijk nogal eens verwarring over.
Een competentie is volgens officiële definities ‘een in gedrag waarneembare combinatie van kennis, vaardigheden, houding en/of persoonskenmerken (persoonlijke kwaliteiten) waarmee in een arbeidssituatie bepaalde doelen worden bereikt’.

In normaal Nederlands: een competentie is de optelsom van vaardigheden, kennis en persoonlijke kwaliteiten die je bezit en inzet om je werk goed uit te voeren. Vaak is het een bundeling van verschillende vaardigheden en kennis die in gedrag tot uiting komen. Dat maakt een competentie een stuk breder dan een enkele vaardigheid.

Lees verder: Wat zijn competenties?

 

Lijst met competenties

In onderstaande competentielijst vind je vrijwel alle werkgerelateerde competenties op een rij. Met daarbij een korte bondige uitleg om de competentie verder te verduidelijken.

  1. Aanpassingsvermogen – Het vermogen om ook tijdens veranderende werkomstandigheden, taken en verantwoordelijkheden doelmatig te blijven handelen.
  2. Aansturen – Het aansturen van een organisatie of afdeling op basis van haalbare doelen.
  3. Accuraat werken – Nauwkeurig en zorgvuldig werken binnen vooraf gestelde grenzen.
  4. Adviseren – Een ander verder helpen door persoonlijk advies te geven op basis van kennis en ervaring.
  5. Analytisch vermogen – Informatie verzamelen, analyseren en ontleden om een (complexe) situatie te begrijpen, probleem op te lossen of inzicht te verwerven.
  6. Anticiperen – Mogelijkheid om vooruit te denken en te plannen in je werk.
  7. Assertief zijn – Voor jezelf opkomen zonder daarbij de gevoelens van anderen te vergeten of te negeren.
  8. Authentiek zijn – Originele en eigen manier van doen.
  9. Beoordelen – Mogelijkheid om op waarde te schatten.
  10. Besluitvaardig – Comfortabel voelen om (snelle) beslissingen te maken.
  11. Betrokkenheid – Verbonden voelen met je werk, omgeving en taken. Door die houding anderen in de werkomgeving weten te stimuleren.
  12. Betrouwbaarheid – Afspraken nakomen en eventuele fouten toegeven.
  13. Coachen – Anderen ondersteunen om hun werk beter te doen door middel van aanmoediging, advies en richting geven.
  14. Collegialiteit – Niet alleen met jezelf bezig zijn, maar ook rekening houden met de behoeften en belangen van collega’s.
  15. Commercieel handelen – Zakelijke kansen herkennen en naar handelen. Met als doel om meer omzet te genereren voor de organisatie.
  16. Communicatieve vaardigheden – Het geheel aan geschreven en verbale uitdrukkingsvormen. Deze competentie stelt je in staat op een heldere manier ideeën te omschrijven, uit te dragen en aan anderen te presenteren.
  17. Consulteren – Om hulp of advies vragen wanneer nodig of wanneer dat een beter resultaat tot gevolg zal hebben.
  18. Contactgericht – Gemakkelijk contact kunnen leggen met anderen.
  19. Controleren – Voortgang in de gaten houden en bijsturen waar nodig.
  20. Creativiteit – Bedenken van nieuwe oplossingen en unieke ideeën buiten de gebaande paden.
  21. Creëren – Iets maken wat er eerder nog niet was.
  22. Delegeren – Taken en verantwoordelijkheden aan de juiste persoon toedelen.
  23. Directheid – Zeggen waar het op staat. Anderen op hun gedrag aan durven spreken zonder bang te zijn om gevoelens te kwetsen.
  24. Diplomatiek – Belangen van anderen herkennen en zo te handelen dat de relatie met belanghebbenden niet verstoord of vermoeilijkt wordt.
  25. Doorzettingsvermogen – Niet makkelijk van je stuk laten brengen. Doorgaan tot het doel bereikt is ondanks problemen of tegenslagen.
  26. Draagvlak creëren – Mensen klaarstomen voor een doel of verandering en eventuele weerstand tegen een plan of hervorming omzetten in een positieve houding.
  27. Durven – Risico’s aan durven gaan.
  28. Empathisch vermogen – Inleven in (de situatie van) anderen.
  29. Energiek – Enthousiast en opgewekt zijn. Vol goede moed!
  30. Flexibel – Makkelijk aanpassen. Van de normale gang van zaken afwijken als de situatie daar om vraagt.
  31. Gedisciplineerd – Volgens orde en regels handelen
  32. Gedreven – Passie voor iets hebben en tonen.
  33. Geordend / georganiseerd – Goed zijn in opruimen, orde bewaren en doelen stellen.
  34. Helpen – Tijd en middelen aanbieden om iemand anders zijn doel te bereiken.
  35. Individueel leiderschap – Resultaat- en gedragsgericht aansturen van een medewerker.
  36. Informatievaardigheid – Bronnen evalueren op bruikbaarheid en betrouwbaarheid.
  37. Initiatief nemen – Actief handelen. Uit jezelf, zonder instructies van anderen af te wachten.
  38. Inlevingsvermogen – Situaties door de ogen van een ander kunnen bekijken.
  39. Innovatief – Nieuwe kansen of mogelijkheden ontwikkelen op basis van bekende methoden of middelen.
  40. Inspireren / motiveren– Enthousiasme en energie opwekken in anderen.
  41. Integriteit – Anderen met respect behandelen en vertrouwelijk omgaan met informatie.
  42. Klantgericht / servicegericht – Oog hebben voor de behoeften en wensen van de klant.
  43. Kritisch denken – Niet zomaar iets aannemen. Vragen stellen om tot de kern van een probleem of uitdaging te komen.
  44. Leervermogen – Nieuwe ideeën snel kunnen opnemen, analyseren en verwerken. Opgedane kennis direct inzetten in een werksituatie.
  45. Leidinggeven – Doelen stellen en mensen motiveren om een gezamenlijk doel te bereiken binnen de gestelde randvoorwaarden.
  46. Loyaliteit – Schikken naar de belangen van de groep of organisatie.
  47. Luisteren – Open staan voor informatie en een gesprekspartner aandachtig aanhoren. Zonder te onderbreken. En ondertussen belangrijke boodschappen oppikken.
  48. Mondeling contact – Wederzijds begrip tijdens verbale communicatie.
  49. Netwerken – Het vormen en ontwikkelen van relaties, coalities en partnerschappen, zowel binnen als buiten de eigen organisatie.
  50. Onafhankelijkheid – Zelfstandig kunnen werken zonder sturing of instructies.
  51. Onderhandelen – Ondanks verschillende belangen en standpunten tot een wederzijde overeenstemming komen.
  52. Ondernemerschap – Kansen herkennen en op inspelen ten goede van de organisatie.
  53. Oplossingsgericht – Gedrag gericht op het herkennen en oplossen van problemen.
  54. Opmerken – Signalen vanuit personen, de organisatie, samenleving of het werkveld opvangen en iets constructiefs mee doen.
  55. Organiseren – De juiste inzet van mensen en middelen om effectief een bepaald doel te bereiken.
  56. Overtuigingskracht – Mensen meekrijgen in jouw standpunt.
  57. Plannen – Tijd, middelen en mankracht effectief verdelen om een bepaald doel te bereiken.
  58. Presenteren – Ideeën overdragen aan een groep mensen. Gesproken of met behulp van digitale middelen.
  59. Presteren onder druk – Ook effectief kunnen werken onder spanning. Zoals tijdsdruk en zware fysieke/emotionele omstandigheden.
  60. Resultaatgericht – Gedrag gericht op het behalen van een bepaald doel.
  61. Risicobewust – Handelen met kennis van de mogelijke risico’s, knelpunten en valkuilen in het achterhoofd.
  62. Ruimdenkend – Openstaan voor de ideeën en overtuigingen van anderen.
  63. Samenbindend leiderschap – Sturen van een groep en het smeden en onderhouden van duurzame samenwerkingsverbanden.
  64. Samenwerken – Door krachten te bundelen een gezamenlijk doel bereiken.
  65. Schriftelijke communicatie – Wederzijds begrip tijdens geschreven communicatie.
  66. Sensitief – Gevoelens, emotie, gedrag en houding van anderen herkennen, voor open staan en mee om kunnen gaan.
  67. Sociaal – Interesse hebben en tonen in anderen. Anderen graag willen helpen zonder eigenbelang.
  68. Stimuleren – Anderen op een positieve manier aan weten te zetten tot actie.
  69. Stressbestendigheid – Ook onder (tijds)druk, in perioden van tegenslag en bij tegenwerking effectief blijven presteren.
  70. Verantwoordelijkheid – Taken serieus nemen en het belangrijk vinden om een doel tot een goed einde te brengen.
  71. Visionair – Op basis van actuele ontwikkelingen een duidelijk beeld over de toekomst hebben.
  72. Volhardendheid – Niet van je stuk laten brengen ondanks tegenslagen. Doorgaan tot het doel bereikt is.
  73. Zelfbeheersing – Je emoties in de hand houden.
  74. Zelfkennis – Inzicht in je eigen sterke en zwakke plekken, overtuigingen, kwaliteiten, ambities en interesses.
  75. Zelfsturing – Niet afhankelijk zijn van anderen, maar jezelf kunnen motiveren, ontwikkelen en aanzetten tot werk.

 

Tip voor organisaties: maak competenties visueel!

Wordt competentieontwikkeling binnen jouw bedrijf gestimuleerd? Maak het dan inzichtelijk door middel van een skills matrix. Dat is een schematisch overzicht van alle medewerkers (binnen een team) en hun bijbehorende competenties, vaardigheden en kwalificaties.

competentiematrix

Het bijhouden van zo’n matrix heeft verschillende voordelen:

  • Je ziet in één oogopslag welke competenties je medewerkers bezitten en welke schaars zijn of nog ontbreken in de organisatie.
  • Je vindt sneller en gemakkelijker vervangers en extra mensen voor piekperioden.
    Eventuele audits worden een eitje.
  • Je kan namelijk zo aantonen dat iedereen de juiste certificaten bezit.

Met speciale skills management software kan je informatie over competenties in realtime bekijken en aanpassen. Benieuwd hoe dat werkt? Vraag dan nu een gratis demo aan!

 

 

 



Gerelateerde berichten